Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De klinker van den 2n pers. enkv. praet. ind., den plur. pr. ind. en den praet. opt. is ë :

bleve, bleven, vergrepen, begrepen, vercrege, verleg hen, grepen, scene, streden.

Verleden deelwoorden : bleven i, 180, 23; overbleven 2, 53, ig; ghedreven 3, 112, 15; verdreven 1, 224, 7; begrepen 1, 19, iS; vercreghen 1, 21,21; leden 1, 14, 25; overleden 2, 98, 23; geleden 1, 34, 10; ghestreden 3, 144, 6; gher enen 1, 138, 8; verresen 4, 48, 16; verteghen 1, 99, 19; ghewreven 2, 88, 8; te -wreven 1, 250, 17; ghebeten 3, 150, 5.

« Grammatischen wechsel » heeft men bij vertien in hi verteech 3, 53, 23; si verteghen 1, 19, 24; verl. dw. verteghen 1, 99, 19; Ghedien vonden we enkel in den noemvorm.

Een oorspronkelijk sterk werkw. spiwan, heeft bij Ruusbroec een verl. dlw. bespowwen 2, 99, 6.

Van de oorspr. zwakke, maar in 't Mnl. ook sterk voorkomende werkw. belien, gheliken, teekende ik alleen zwakke vormen voor 't praet. op : hi belide 2, 66, 4; -wi ghelijeten 1, 234, 14.

Van het sterke ver tien, vinden we nevens verteech 3, 53, 23, ook den zwakken vorm vertiede 3. 11, 15; blijkbaar onder den idvloed van 't praet. van belien, wien.

II. ze-klasse. Hiertoe behooren a). De werkwoorden met -ie in den noemvorm :

bieden, ghebieden, verbieden, bedrieghen, ghieten, kiesen, lieghen, verliesen, ghenieten, scieten, sieden, tien, vlieghen, vlien, vliete?i, vriezen, clieven, rieken. b) met -u in den noemvorm :

bughen, drupen, crupen, luke?i, beluken, opluken, toeluken, (-pluken) ontpluken, sluten, sughen, supen, s cuven.

Sluiten