Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(;uuorthan, Ps. 72, 5. Vgl. Kern, Limb. Serm. § 203.) wort (3 p.) 3, 13, 16; wi worden 3, 219, 15; worde (3 p. s. praes. subj.) 3, 2, 16; 61, 18; 75, 15; naast werde 1, 192, 9; worpen (inf.) 2, 67, 12; verworpen (inf.) 3, 16, 7; 97, 14; 129, 18; ie verworpe (praes ind.) 3, ió, 6; naast werpen 2, 64, 19; 162, 5; worpene (subj.) 3, 259, 1 (F. G. dat menne hande ende voete ghebonde worpé).

Van verberghen vinden we een enkele maal den vorm verborghen (inf.) 3, 61 15.

Van verderven (intr.) vinden we een maal een praes. verdorft 3, 2, 15.

Van verderven (intr.) vinden we alleen als sterken vorm het adj. verdorvene 3, 245, 3.

Bederven (trans.) is zwak : ghi bederfde 3, 11, 13; verderven (trans.) insgelijks : verderft (part. pt.) 3, iii, 8; 9.

Het oorspr. sterke berren (uit bernen) vertoont bij Ruusbr. slechts bij uitzondering sterke vormen :

(si) borren 2, 89, 2; 95, 23; horren 2, 95, 23; si verborren 1, 190, 20.; si verborrent 2, 102, 25; naast verberreden 2, 88, 3; verberden 2, 146, 28.

De noemvorm is berren, verberren, 1, 26, 27; 29, 5 of bernen 4, 185.2; voor den derden pers. enkv. praes. ind. vinden we berret 1,32, 12; berrent 1,47, 5, bernt 3, 258, 13; verberret 2, 132, 17; verberrent 2> 133,2; voor het verl. dlw. verberrent 1, 53, 16.

Van versmelten vinden we een zw. praet. : hi versmelte 3, 257, 18 (F. versmalt, G. versmelt, L. versmoul).

III. b) Hiertoe behooren :

binden, benden, dwinghen, bedwinghen, dring hen, drinken, {be-)ghinnen, clinken, clemmen, crempen, singhen, sinken, verslinden, springen, stinken, swemmen, vinden, bevinden, winnen, rimpen, winden, bewinden, wringhen, blincken.

Sluiten