Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hi dreg het i, 16, 7; (Ohd. tregit) dreecht 1, 172, 11; 185, 16; 2, 50,7; 128, 5; greeftene 2, 174, 13 (Ohd. grebit)\ sleet 2, 93, 13; 216, 3; wedersteel 1, 172, 18; (Öhd. slehit); messteet, 3, 203, 8 naast draghet 1, 219, 4; gravet 1, 18, 7.

Somwijlen was deze klinker in andere buigingsvormen gedrongen. (Vgl. Van Heiten, Mnl. Spr. § 185, opm. 3): dreghen 1, 210, 6; vgl. ook het verl. dlw. ghedweghen 1, 9, 10, waarin ook de g haar invloed kan hebben doen gevoelen (Van Heiten, Mnl. Spr. § 23 D) naast ghedwaghen 3, 164, 24.

Een verl. deelw. gescepen 3, 5, 19; 164, 18; is ontstaan uit den oorspronk. vorm gescapen (1, 6, 15; 12, 9) onder den invloed der e van 't praes.

Verder dienen nog opgemerkt:

de praeterita verhief, 2, 152, 8; 153,3» ophief 2, 51, 11; verhieven 2, 51, 8; verhieve 2, 232, 14; sciep 1, 252, 17; wies {groeide 3 p.) 1, 154, 13; 3> '69. 2°'< wiesen (3 p.) 1, 151, 9; 14; ontstaan onder den invloed der redupliceerende werkwoorden, naast de oorspronkelijke vormen *hoef, * hoeven, (3 p) scoep, 3, 247, 2 (F. G. N. gesciep), *scoepen.

Het praet. stont, stonden, waarin de 0 uit oorspr. 0 verkort is, na het indringen der n (Vgl. os. stód, ags. stdd).

het verl. dlw. ghezworen 4, 63, 5; in pl. van een oorspr. *geswdren (Mhd. geswarn).

« Grammatischen wechsel » hebben :

heffen, hief, hieven, gehaven;

dwaen, dwoech, dwoegen, ghedwaghen, ghedweghen. slaen, sloech, sloeghen, geslaghen.

De inf. waghen (tbewegen) (vgl. siwaghen 3, 222, 12heeft zijn g uit 't verl. dlw. enz. Vgl. Kern, § 208.

Sluiten