Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

du soudest 5, 66, 1; souds 4, 27, 3; hi soude 3, 2, 1; soul (soude et) 3, 7, 20; a/z' souden 3, 12, 21; 24; 61, 14; soude ghi 3, 45, 7; si souden 1, 5, 6; io,

4; 24» 19;

vioghen; ic mach 3, 87, 7; vermach ic 3, 87, 7; hi mach 1, 3, x6; vermach 1, 24, 15; vermachstu 3, 88, 19; wi moghen 1, 8, 24; ghi moegt 1, 1, 1; moghedi

1, 2, 5; si moghen 1, 8, 24; opmerking verdient een 2e Pers- enkelv. praes. ind. du moghes 3, 52, 9; optatief: hi moge i, 3.5, 1; 38, 4; ghi moghet 3, 64, 16; 7ui moghen 3, 3, 3;

ghi moecht 3, 41, 8; opmerking verdient nog in den opt. praes. ic mach 3, 188, 24, en een 3 pers. hi mach 3, 18, 10; 19, 18;

mocht 3, 20, 2; vermocht 3, 5, 9; hi mochte (opt.) 3,

2, 12; 6, 8; mocht (opt.) 3, 2, \; wi mochten 3, 2; 5> 9! I2» 20; ghi mocht 3, 20, 1; si mochten 1,19, 21;

moeten; hi moet 1, 2, 4; 22, 15; wi moeten 1, 21, 13; 19; wi moeten (opt.) hij en moet 3, 108, 2; 2, 260, 17; moeti 5, 18, 6; 20, 11; moeten 1, 1, u. « Niet mijn wille, maer dijn wille moete ghescien » 2, 93, 25; ic moeste (opt.) 4, 39, 5; moeste (3 p. praet. ind.) 4. 44. 14; opt. 2, 7, 3; moesten 1, 189, 6;

■weten; ic weet 3, 23, 22; wetstu 5, 214, 22; 222, 25; hi weet 1, 192, 7; wi weten 1, 121, 19; ghi weet 3, 170, 12; ghi wet 1, 187, 14; 190, 13; jz wetens 3, 94, 9; my&j (opt.) 5, 2, 8; wiste hl 3, 90, 17;

v. dlw. gheweten 3, 150, 6.

Werkwoorden op mi.

1. Verbum substantivum.

Praes. ind. 1 sg. ben 1, 267, 26; ben 1, 264, 15; ic bent 1, 266, 15; bem 4, 29, 9; bin 3, 162, 3; 5,

Sluiten