Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Andere wa-st. zijn leu, snee, wee, sviere. Een voorbeeld van leeuwe komt voor : ghelijc. den leeuwe 5, 111, 9.

Mannelijke en onzijdige i- en u-stammen met

lange wortellettergreep.

Tot deze klasse behooren de mannelijke /-stammen balg, gast, liede (mv.) scacht, traen, worm, (worp,) \voirworp, (rooc), wierooe, enz. de mannelijke

w-stammen : doot, lost, vloei.

Hunne buiging is gansch samengevallen met die der a-stammen : wieroecs, 2, 150, 18; scachte 1, 147, 6; balch 2, 122, 17; mv. liede 3, 43, 7; der coepliede 1, 178, 21; dier lude 3, 50, 10; der worme '» 85, 23; velen htden 3, 105, 8; minen lieden 3, 91, 16; di woerme 1, 87, 12; gaste 3, 152, 10.

Swaen, dat blykens het On. mv. swanir ook een z-stam is, heeft in den nom. den vorm swane; vgl. 2, 213, 9; (Vgl. Ohd. swand). Dat het woord evenwel bij Ruusbr. ook van het mannelijk geslacht is, bewijst de datief : den swane 2, 213, 8; 13.

Ook hier heeft men in den nom. -acc. mv. den uitgang -en nevens den uitgang -e : sulke luden (nom.) 3, 66, 19; die luden (acc.) 3, 43, 21; tranen (acc.) 4, 43, 27; nevens trane 2, 118, 1.

De oorspronk. a-stam doot (Got. daupus) was reeds in het Os. naar de a-kl. verlóopen; in het Mnl. vertoonde het woord ook verloop naar de vrouw, «-buiging; bij Ruusbr. komt het slechts bij uitzondering als mannelijk voor; doorgaans is het vrouwelijk : den scandelicsten doot, 3, 56, 3; sine doot 4, 8, 24; tote der doot 4, 4, 20; 23, 17; 43, 23 enz. toter doot 3, 40, 1; 53, 23; der doet 2, 15, 16; die doet (acc.) 3, 56, 12; 1, 19, 16; 122, 12 enz.

1

Sluiten