Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hiertoe behooren de mannelijke «-stammen : aer, aern, blixeme, bode, borne, brudegom-, doder, du-me, gheselle, hane, here, hertoghe, hope, mishope, jongher, kempe, (boge), regenboghe, leeu, lichame, mane, mensche, name, neve, odevare, osse, pape, prophete, rave, rouwe, smaeke, sterre, vouwe, wille;

de persoonsnamen op -e ontleend aan 't Rom. als prince enz.

de onzijdige woorden herte, oge, ore.

Apocope der -e is regel in de woorden aer, brudegom, her (als titel voor een eigennaam), smaec, leu; die aer 4, 101, 13; uwe brudegom 3, 124, 1; 4, 121, 7; acc. 4, 6, 14; her Jhesuse 5, 1, 2; den leu, 2, 201, 11; smaec 3, 90, 5; 91, 24; 90, 1.

Bij het woord lichame doet zich dezelfde apocope voor : die lichaem 3, 54, 9; den lichaem 3, 145, 12; doch hier blijft de normale vorm lichame: den lichame 3, 251, 9; 2, 15, 10; sinen lichame 1, 7, 20; 2, 17, 1.

Een enkele maal lezen we voor het woord smaec den vorm smake : Dat is die smake die die mensche smaect 3, 91, 22. Het betrekkelijk voornaamw. die zal hier staan voor dien. Die vorm komt dikwijls voor in 't Mnl.

Ook in den datief enkv. komt apocope der -e voor : uwen brudegom 3, 121, 20; 124, 4; den leu

2, 200, 20; 201, 5; metten lichaem 3, 64, 20; 65, 14.

In den gen. enkv. hebben deze naamwoorden den uitgang en : ons heren 3, 79, 17; haers heren

3, 78, 15; des menschen 3, 47, 18; 51, 20, 21; 125, 3; eens ossen 4, 101, 5; des willen 3, 34, 16; 42, 10; 4, 184, 18; des goeden willen 3, 86, 30.

Onder deze naamw. zijn er evenwel, die nevens den oorspr. cons. uitgang, ook den sterken gen.uitgang hebben aangenomen : uwes lichaems 3, 131,

Sluiten