Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier werd ook de vorm van den acc. gebezigd in den dat. : als wi Christum... mochten behaghen 3, 2, 4; daer wi Christum alre ghelijcste mede werden mochten 3, 2, 8; Jhesurn 3, 124, 4.

Somwijlen had het eigen naamwoord, behalve zijn Lat. uitgang, nog den Mnl. bij gekregen : Christumme, vorm dien men dan ook in den acc. vond : die riepen alle Christumme ane 1, 273, 24.

Het eigen naamw. kon ook onverbogen blijven. Zoo in den gen. : die arke Noe 3, 244, 8; in den acc. Annas 5, 216, 16; in den dat. : met Jhesus van Nazareth 5, 216, 2.

Vooral blijft de eigennaam als bijstelling onverbogen : met den name Joseph 1, 225, 14; met den name Benjamin 1, 227, 16; met dien name God 1, 216, 4; met dien name Aser 1, 218, 9 ; met dien name Zabulon 1, 222, 12.

Men vindt ook verloop van de eene naar de andere verbuiging : zoo b. v. voor den naam Peter dien men vindt in den acc. met den uitg. -en : Petren 5, 167, 13; Peteren 5, 211, 15.

Verder lette men op het gebruik van het lidw. bij den eigennaam in : Oliapbe des Achisamechs sone 1. 53. 18.

In het meerv. vind/sn we de eigennamen met den uitg. -en : die Joeden 1,8, 18; Leviten (dat) 1, 9, 22.

Phariseus vertoont in het meerv. den lat. uitgang : die Pharisei 2, 154, 11; en blijft in den gen. onverbogen : der Pharisei 2, 159, 4.

Van de vrouw, eigennamen vinden we alleen Hester sterk verbogen in den dat. Hesterre, 2, 72, 16. Andere vrouw, eigennamen, en niet alleen diegene, die op een vocaal eindigen, hebben -en in den gen. en dat. enkv.; en deze uitgang, wordt evenals bij de mann. eigennamen ook in den acc. gevonden : gen.

Sluiten