Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dat. mann. en onz. enkv. is heme, (Onfr. himö) vgl. i, 112, 28; 175, 25; 183, 8; 248, 17; 249, 15; 253, 17; 267, 15; 268, 21; 270, 16; 2, 5, 22; 23; 9; 2; 10, 6; 12, 7; 8; 73» enz. enz. Daarnevens komt zeer dikwijls het geapocopeerde hem voor : 1, 267, 18; 277, 5; 3, 19» 6; 7! 8; 24, 16; 156, 12; 158, 8 enz. enz.

Die vormen van den dat. worden ook als acc. voor het mann. enkv. gebezigd; hem is hier de meest gebruikte vorm; heme wordt gebruikt o. a. wanneer nadruk op het woord gelegd wordt en in verbinding met self: heme selven, 1, 181, 24; ook na een voorzetsel komt heme dikwijls voor; maar hier kan, ter oorzake van de wankelende beheersching der voorzetsels, de acc. niet altijd van den dat. onderscheiden worden : in heme 3, 5:, 15; van heme, 3, 27, 24.

Hem en heme worden in dat. en acc. als wederk. voornw. gebezigd in de plaats van het ontbrekende siR: ende hem die mensche venset 4, 148, 11.

Nom. vr. enkv. si of sy; gewoonlijk si i, 6, 1; 29, 6; sy 5, 14, 14; overeenstemmende met Got. dem. si nom. vr. enkv.

In den gen. is haers meest gebruikelijk : 1, 114, 22; 104, 25; 5, 18, 12.

Zeldzaam is een vorm hare: ende dit is die seste maent hare die geheyten is ondrachtich : 3, 148, 19.

Dat. en acc. vr. enkv. is haer{e).

In den nom. komt een enkele maal soe voor; vlg. 6, 84, 17 overeenstemmende met Got. dem. só, nom. vr. enkv.

In den gen. enkv. komt ook naast den vorm met a een enkele maal die met oe : 2, 14, 16.

Het verzwakte se voor si komt alleen als encliticum voor in nom. en acc.

watse 3, 37, 22; doetse 3, 37, 23; bringhen$e 3,41, 12; ontfaense 3, 106, 14; nemetse 3, 38, 2; hadse 3, 38,2;

Vorm/eer van de taal vatt fiuusbroec.

6

Sluiten