Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hys 3, 127, 7; wouts 3, 137, g; ics 3, 87, 16; daermens 3, 90, 14; wys 3, 12, 13; wildijs 3, 9, 12;

dier 3, 119, 6; vinter 3, 94, 9; hirc 3, 22, 1; icker 3, 89, 8;

pijnt en 3, 26, 4; aenbeden = aenbeedden + en 3, 67, 10; vinten 3, 67, 17 ;

salne 3, 144, 10; hine 3, 137, 7; datten 3, 7, 14; dien 3, 10, 16;

draechtet 3, 69, 10; sijnt 3, 142, 1; ist 3, 106, 9; braect 3, 153, 16; diet 3, 145, 10; neemtet 3, 95, 18; syt 3, 37. 16; wiet 3, 95, 21; diet 3, 95, 19; dattet 3, 10, 11; waert 3, 28, 11; -wattet 3, 32, 10.

De vorm (e)t wordt ook proclitisch gebezigd : ten sal, 3. 77» 3; tsi3, 57, 22; ten is 3, 23, 22.

Et zelf komt voor met enclisie van de ontkenning, en dan kan men samentrekking hebben tot en : want en (et ne) was niet heilech 1, 11, 10.

Opmerkelijk is het gebruik van een enclitisch -es als acc. voor het mann. en onz. enkv. Vgl. : als die mensche in eeren was, soen verstont hijs niet 2, 121, 24; ende God en gheves hem niet 3, 92, 10; si hebbens wel verdient 3, 106, 13; dat sijs verdient hebben 3, 106, 13 ; cans 3, 3, 10. De reden van dit gebruik ligt in het feit, dat zoovele intrans. werkwoorden met oorzakelijk voorwerp (genit.) transit, geworden zijn met rechtstreeksch voorw. (accus.) Vgl. Stoett § 15. Dit gaf aanleiding tot een overgangsperiode, waarin men ze nog intransitief construeerde en reeds als transitief opvatte. Vgl. Van Heiten, § 339. Dit es komt als rechtstreeksch voorwerp 'voor in alle soorten van zinnen met en zonder ontkenning.

Eenmaal treffen we (é)t voor den acc. mann. enkv. aan : (hi) ghebenedide den wijn, ende gaeft sinen discipulen 3, 153, 20.

Sluiten