Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sire goedertiernheit i, 169, 21; sire 5, 83, 6; sire minliker werken 1, 238, 3; siere gheminder 6, 2, 19.

Eenmaal treffen we een vorm aan met epenthetische d : alle sijnder gheminder 6, 264, 8.

In den gen.-dat. enkv. en den gen. meerv. lezen we gewoonlijk, in plaats van harer, haerre : haerre mesdaet 3, 196, 23; haerre hande 1, 261, 9; haerre voete 2, 37, 14; haerre werke 2, 132, 14; haerre seden 2, 20, 9.

Daernevens : harre minnen 2, 8, 3.

Hun voor het meerv. in stede van hare troffen we niet aan dan in den titel van het hoofdst. C.CXIX : «Van den XXIIII joetschen priesteren ende hunnen ambachte. » 2, 148. Die vorm behoort dus niet tot Ruusbroec's taal, daar die titels niet van hem afkomstig zijn.

Als praedicaat heeft het bezittelijk bijv. naamw. van den isten, 2en, 3en pers. enkv in den nom. mann. enkv. doorgaans den uitgang -e :

hi es mine 5, 6, 4;

ic bin sine 5, 6, 4.

Min dikwijls komt de vorm sonder -e voor : du bist mijn 6, 25, 1;

ic bin dijn 6, 25, 1.

Na het lidwoord heeft het ook dien uitgang in den nom. mann. enk. en den nom.-acc. onzijdig enkv. : in dat sine 3, 92, 14; tsine 3, 24, 15.

Vragend Voornaamwoord.

Het vragend voornaamwoord wie, wat heeft dezelfde verbuiging als het aanw. vnw. N. wie 1, 209, 14; wat 2, 151, 8; G. wies i, 115, 16; 2, 72, 15; Dat. wien.

Acc. wien 5, 214, 9; 226, 5; wat 1, 115, 17; 3» 4, 5-

Sluiten