Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welc. Bijvoegl. vragend naamw. is welc. Zijne buiging is gelijk aan die van het demonstr.

Als praedicaat blijft dit vragend voornm. onverbogen.

■welc die sacrificie was 2, 54, 20; 22; welc si die ere Gods ende welc si die noet 4, 173, 14; welc is die hondertfoudighe loen 3, 91, 22; welc die werke sijn, mer welc die minne is, 3, 109, 24.

Ook welc wordt als onbepaald betrekkelijk voornaamwoord gebezigd, en komt dan ook voor vergezeld van so :

soe welke mensche, die... sober ende cuusch werden wilt, hi moet minnen die dinghe die heme daertoe vorderen moghen 2, 16, 15;

Substantive gebezigd vinden we welc in den nom. m. enkv.: welc (wie) eest die eerst sloech 5, 218, 12; en in den acc. welken, 2, 109, 9.

Een oud vragend voornaamw. vinden we terug in het voegwoord weder (Os. hwedar, hwederes, hwederon) oorspronkelijk voorkomende als nom.-acc. onz. enkv. in het eerste lid eener tweeledige vraag; en in verbinding met of in het tweede lid : weder het sy heymelike oft openbaer 4, 156, 10;

weder si sijn gheestelic ofte weerlic 4, 157, 21; weder of hijt weet of niet en weet, 3, 21, 9; weder ghi wilt minne hebben, of oetmoedicheit.

Aanwijzend Voornaamwoord.

De verbuiging van het aanwijzend voornaamwoord, dat ook als lidwoord dienst doet, is de gewoon Middelnederlandsche. Er is geen onderscheid tusschen de verbuiging van het vöornm. en die van het lidw.

Sluiten