Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die; van het vragende vnw. wie gebruikt hij den gen. en den dat. enkv. en meerv.; de nom. en acc. komen slechts voor met hi, si, diegene of een aanw. voornw. als antecedent; de acc. verder nog na een voorz.

Wie et mijn vleysch ende drinct mijn bloet, hi woent in mi, 4, 70, 2;

■wie dat in Christe herboren wil werden ende vri sijn, hi moet ghelovich sijn, 4, 130, 11;

dat God... sineri name verclaert dore wien hi wilt, 1, 143. 8.

De verbuiging van het een en het ander relativum is dezelfde als die van het demonst. en interrog.: Christus, die es... 1, 6, 5; die waerheit, die... was 1, 7, 4; haer vverc, dat... es 1, 47, 25;

des diensts, dies men nu pleghet 2, 89, 6; der heilegher kerken, dier wi niet ontberen en mogen 2> 137. 55 gherief der naturen, dies geen noet es.

een aerm mensche, dien God ghenoecht 2, 17, 13; der overster redenen diere God bevolen heeft 4, 161, 20; Maria Magdalena, dier God veel sonden vergaf 3, 98, 14;

sinen sone Ysacke, dien hi minde 1, 18, 10; dese figure, die ic meine 1, 2, i.,; hi sal verlisen al dat hi mint; van dien bloede, dat hi gehouden hadde 1, 5, 8; die menschen, die behouden willen sijn

1, 6, 22; der figuren, die leden sijn, 1, 4, 16, der dinghe, die verswaren moghen 1, 3, 16;

allen den goeden seden, dier men pleghet 5, 81, 25; die dinghe, diere noot es, 4, 139, 27;

van dien viere vormen, die ic vore noemde 2, 201, 20; 12 calvere, die hi ghenomen hadde 1, 7, 17; van mes sade comen es al dat volc van Israël

2, 72, i5.

Evenals bij het aanwijzend voornw. zullen we

Vormleer van de iaal van Ruusbroec.

Sluiten