Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gheen valscen lof 3, 18, 1; gheen smaec 3, 29, 18; geen viant 3, 19, 24; 20, 2';

met gheen woerden 3, 24, 7.

Syncope der -e heeft men in nom.-acc. vrouw, enkv., in nom.-acc. meerv. :

geen doecht 3, 2, 13; engheen ontrouwe 3, 57, 17; gheen cracht 3, 63, 3; gheen pure creature 3, 6, 8; gheen onhebbelicheit 3, 28, 2; gheen grote cracht 3' 49» 8 \ gheen doecht 3, 2, 13; 14, 4; gheen noot 3, 26, 21; gheen doechde 3, 4, 17; gheen pine 3, 21, 22.

In tegenstelling met het voorgaande, zal men vormen met -e vinden in den nom. mann. enkv., in den nom.-acc. onz. enkv. :

gene ghewarich oetmoedich mensche 3, 15, 21; ten is ghene soe clene dinc 3, 64, 8.

Ander. Zonder lidw. of ander determ. of voorafgegaan door een, gheen, heeft dit voornw. de sterke buiging van het bij vgl. naamw.

Mann. Vrouw. Onz. Meerv. Enkv. N. ander andere ander andere G. anders anderre anders anderre D. anderen anderre anderen anderen A. anderen andere ander andere. Voorafgegaan van het determ. kon het zwakke buiging hebben. Dus :

die andere name 2, 191, 9;

des anderen daechs.

Doch de neiging om de uitgangs-<? af te werpen is bij dit voornw. zoo sterk, dat men het ook na een dem. enz. doorgaans met sterke buiging vindt: die ander rinc 1, 33, 23; 233, 7; die ander voghel 2, 200,• 18; al dat ander vleesch, 1, 42, 18; al dat ander convent 2, 188, 19; dat ander lam 1, 264, 1; dat ander -bloet 2, 27, 18.

Sluiten