Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daer hise alle in bevaen hevet i, 41, 18.

Toch lette men op eenen acc. : werkende ende aensiende hem allen die in node sijn, 4, 164, 20.

De oorzaak van het ontstaan van dien vorm, is de gelijkheid bij de pronomina van dat. en acc. Waar men ons, u, had in dat. én acc. kwam men er toe ons allen ook naast ons alle in den acc. te gebruiken, en uit den acc. drong ook de vorm, zooals wij hem thans kennen, in den nominatief.

In den gen, mv. alre, komt heel dikwijls eene epenthetische d: ónser alder spiegel 1, 175, 22; onser aldre outaer 1, 185, 25; onser alder naturen 1, 7,20.

. Dit alder, na eerst bij een soort deelingsgenitief te zijn gebruikt geworden, ontwikkelde zich tot een bijwoord bij een superlatief, waarnevens trouwens ook alre voorkomt :

alder liefste 3, 24, 3; alder volcomelicste 3, 28, 10;

alder ghelijcst 3, 2, 2.

Ook al wordt als bijwoord gebezigd ;

al openbare.

Zelfstandig gebruikt komt al in 't enkv. alleen in 't onzijdig geslacht voor en heeft sterke buiging: al dat ute Gode gheboren is 4, 1, 3;

ghi moet alles vertien 4, 30, 19; si sijn alles ledich 3, 200, 27;

met allen dat men is 4, 133, 20;

boven al 1, 46, 25; met al... dat 4, 18, 20. In plaats van al lezen we hier ook den onverb. vorm, alle ; ende daerom doet ende laet alle, dat ghi doet ende laet 3, 52, 3.

In het oostelijk Mnl. was nevens al een vorm allet in gebruik, in den nom.-acc. onz. enkv. Vgl. Kern. Limb. Serm. § 175. Al heeft dus in dien vorm den voornaamwoordelijken uitgang bewaard der sterke verbuiging van het bijvoegl. naamw. Vgl. Got. allata

Sluiten