Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HO.OFDSTU K.

HOE HET KWAM, DAT DE WEDUWE DE MOEILIJKE SOM KON OPLOSSEN.

Hoe grooter en rijker een stad is, des te ellendiger de woning van de menschen die doodelijke armoede lijden. Ten ininste dit was het geval in het verre Oosten. De weduwe van den kleermaker was na den dood van haar man zoo spoedig mogelijk uit het huisje vertrokken, waarin zij wel veel verdriet, maar toch nog veel meer geluk had doorleefd. Wat zij missen kon, had zij verkocht, of eigenlijk had zij meer verkocht dan zij missen kon, en had ergens een hokje opgezocht, waar zij voorloopig voor zich en haar zoon een onderkomen had. Daar zat zij een moeilijke som uit te rekenen, een wonderlijk soort som. Want er moest nul uitkomen, en dat wilde zij juist niet. Kunt gij die som raden? Het was hoe zij zonder verdiensten rond komen en eiken dag voor hun beitjes wat te schaffen kon hebben. Waar afgaat en niet bijkomt, daar schiet eigenlijk niemendal over. Of ja, men kan schuld maken, maar dat wilde zij niet. Wie schuld maakt, moet die kunnen betalen, en dat zou zij niet kunnen. Dan zouden de menschen haar nawijzen en zeggen: „daar gaat de vrouw van dien kleermaker", en ze zouden eerst van haar en dan van den afgestorvene

Sluiten