Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij keek nog eens het vertrek rond, dat hij dien morgen voor het laatst bewoonde, en weldra voor altijd zou verlaten. Toen boog hij zich weder over de zwarte letters; maar die zag hij niet, evenmin als hij iets van het geschrevene verstond. Hij zag niet anders voor zich dan de Wonderlamp, die weldra in zijn macht zou zijn.

Dien middag wandelden oom en neef de stad uit, en sloegen een weinig betreden pad in, dat naar een woest en somber gedeelte van den omtrek leidde. Naar wat zijn oom hem vooruit gezegd had, kon Aladdin niet veel verwachting hebben van wat zijn oogen zouden aanschouwen. Doch wüt hij zag, was veel akeliger en somberder dan hij zich had voorgesteld: Geen huisje of hutje, geen mensch of dier. Het was er akelig stil. Men schrikte er van als de voet op een dorren tak trad, die met een luid en nijdig geknap in tweeën brak. Aladdin had liefst voortdurend willen praten; maar hoe verder men zich van de stad verwijderde, hoe kariger zijn oom met zijn woorden werd. Hij gaf al minder en minder antwoord, eindelijk sprak hij in het geheel niet meer, en toen moest Aladdin ook wel zwijgen.

De zon neigde reeds naar het Westen. Als die onderging, zou het — zooals het in die streken plaats heeft — bijna onmiddellijk nacht worden. Aladdin keek zijn metgezel al eens aan, of die nog geen aanstalten maakte om terug te keeren. Deze echter liep rond te kijken, of hij iets zocht.

„Oom!" waagde Aladdin zachtkens te vragen, want het gelaat van den donkeren man stond er niet naar, of die veel lust had naar praatjes te luisteren.

„Oom.... zouden we niet terugkeeren?"

Geen antwoord.

,,'t Wordt a.1 laat, oom!"

Geen antwoord.

Aladdin keek weer van terzijde den zwijgenden man aan. Zou hij soms niet wel zijn, dat hij op zulk een zonderlinge wijze rond zich liep te kijken? En .... wat was dat

2

Sluiten