Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De arme man wrong de handen.

„Ik weet het niet, Sire; ik weet niet wat er gebeurd is. Iets vreeselijks zeker .... Want mijn zoon heeft wel niets geopenbaard .... maar hij heeft m'n handen gegrepen en hij neep ze, en klaagde toen, met tranen in zijn oogen, dat ik er heel en al akelig van werd: Vader, o vader!...."

De Koning fronste de wenkbrauwen.

„Ik dacht dat hij zulk een kloek persoon was, ten minste, dat hebt gij altijd verzekerd, Groot-Vizier! ... . Wat?.... wou-je me alweer in de rede vallen.... Is er dan geen orde meer in mijn paleis?.... Ik zeg, en ik herhaal het je, dat je me tot vervelens toe aangeraden hebt om je zoon tot mijn schoonzoon te maken, omdat ik een krachtig opvolger zou hebben die zou kunnen handhaven wat ik verworven heb ...."

De Koning richtte zich een weinig uit zijn liggende houding op. Ja.... als hij zoo het hoofd oprichtte en de oogen liet flikkeren en zijn anders zoo kalm en regelmatig gelaat een toornige uitdrukking liet aannemen, ontwaarde men een koninklijkheid in dezen heerscher, die u deed begrijpen hoe hij eenmaal, in zijn jonge jaren, een vorst was geweest voor wien zijn vijanden beefden en zijn volgelingen in deemoed het hoofd bogen.

„Sire," waagde de Groot-Vizier te bidden.

Doch de Koning maakte een gebaar van toorn.

„Ik heb van u een passend gemaal voor mijn dochter, een passend opvolger voor mij gevraagd. Een man, verstaat

ge en geen oud wijf die op bed ligt te rillen, en tranen

stort.... Tranen!".... herhaalde hij met de diepste verachting.

De Groot-Vizier rilde er van.

Werktuigelijk deed de Koning een paar haastige trekken aan zijn pijp. Het water borrelde er van, maar rook kwam er niet meer. Van boosheid merkte de Koning hier niets van, en dit was zeer gelukkig voor den Groot-Vizier.

Sluiten