Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een gouden glans over den. regen van edelsteenen op zijn heerlijk gewaad; het scheen te weerlichten waar hij zich wendde. Links en rechts schoven de knielende slaven op zij oin den meester een weg te banen langs de kostbare schatten aan zijn voeten. En nu trad hij nader in eerbied, en liet zich neerzinken op één knie voor de Majesteit des Konings, die van zijn troon gerezen was en met beide handen uitgestrekt op den schoone jongeling toetrad, hem heette op te staan, en met een vriendelijkheid, zooals niet een der liofheeren zich herinneren kon ooit door zijn Vorst aan iemand ter wereld te hebben zien bewijzen, den Prins meevoerde naar zijn zitplaats en hem verzocht naast zich plaats te nemen.

En van een der bovenkamers van het paleis, daar waar de vertrekken der vrouwen gelegen waren, werd door een poezel handje even een zonneblind ter zijde geschoven. Twee schoone, donkere oogen keken vol bekoorlijke nieuwsgierigheid naar den gast, die op zulk een vorstelijke wijze zijn intocht deed. Toen klopte een jong-meisjeshart sneller en onstuimiger.

«Hij is het," fluisterde de Prinses, „hij, de schoone jongeling uit mijn droomen."

Geluidloos sloot zij het zonneblind. Zij ontstelde. Haar moeder was stil achter haar gekomen. Toen met een uitbarsting van vreugde of smart — wat was het? — vloog zij haar moeder om den hals, en schreide, alsof haar hartje breken zou.

„Kind, kind!" zei de moeder geheel verschrikt, „wat is er?"

Ze snikte en ze lachte, de aardige, jonge Prinses, en toen, terwijl een blos haar over wangen en hals kwam, fluisterde ze verlegen :

„O, moedertjelief. . .. liij is het

Een paar dagen later was er groote vreugde in de stad, eigenlijk een dubbele vreugde. Want de menschen hadden voor het meerendeel nog al de spulletjes, waarmede ze de eerste bruiloft van de Prinses gevierd hadden. Bovendien

Sluiten