Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, ja .... ik bèn wakker .... ik voel het nu .... En je bent een trouw en eerlijk Groot-Vizier.... hoewel.... hoewel je het met dat bijten wel een beetje minder had kunnen doen. Sakkerdrie !.... m'n heele vinger gloeit ervan .... kijk 's, de tanden staan er nog in I... Maar ... nu is dat andere ook waar.... En, o, kom 's mede naar het raam .... Kijk eens wat een heerlijkheid I"

Nu was het de beurt van den Groot-Vizier om beteuterd te staan. Hij greep met beide handen naar zijn hoofd, en riep uit:

„O, Sire.... nu geloof ik dat ik ook slaap!"

„Wil ik je eens in je vinger bijten," lachte de Koning, dol in zijn schik dat zijn hoofdstad zulk een wonder van bouwkunst rijk geworden was, vooral omdat hij wel vermoeden kon wie dit paleis had laten bouwen.

Vóór echter de Groot-Vizier een vroolijk wederantwoord had kunnen geven, vlogen de groote vleugeldeuren van het wonderschoone paleis open. Jonge schoone slaven en slavinnetjes ijlden naar buiten, de eersten ontrolden een kostbaren looper over de straatsteenen en wel in de richting van 's Konings paleis, terwijl de laatsten frisssche bloemknoppen strooiden. Een vroolijke muziek weerklonk. Van alle kanten kwamen menschen aangesneld. Vroolijk gejuich vervulde de lucht. En daar kwamen ze, de kloeke bruigom en de teere bruid, zij dichtgesluierd, wel is waar, maar het was of zelfs dat nijdige neteldoek het geluk niet kon verhelen dat van haar blij hartje uitstraalde, nu ze leunde op den man dien ze boven alle schepselen liefhad. En het daverde door de morgenlucht:

„Heil Prins Aladdin, Heil de Prinses!"

Ja, toen vergat de Koning heel de pijn aan zijn vinger. Hij snelde naar buiten, zijn kinderen tegemoet, en hij drukte ze tegen zijn hart en lachte en schreide tegelijk. En Aladdin vertelde van de duizenden en tien- en honderdduizenden arbeiders uit zijn eigen ver verwijderd rijk, die

Sluiten