Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel, meneer," zoo lichtte hij den vreemdeling in, „de Prins is gewoon om dezen tijd voor een week of zes op jacht te gaan, en ongelukkig voor u is het thans juist in dien tijd."

Er kwam een zonderlinge gloed in de oogen van den toovenaar, want als zoodanig zult ge hem wel reeds herkend hebben. Uit zijn tooverboeken had hij opgemaakt dat Aladdin niet thuis zou zijn, en waar dit nu zoo prachtig uitkwam, gevoelde hij een groote voldoening. Dan was het óók zeker waar, wat zijn boeken hem medegedeeld hadden dat Aladdin de onvoorzichtigheid beging om de Wonderlamp niet met zich mee te nemen, overal waar hij ging. Ze moest dus in deze stad zijn, en met voldoende zekerheid kon men zeggen, dat ze zich in de kamer van Aladdin bevond. Niemand in het paleis, zelfs niet de vrouw van Aladdin wist van welk een waarde die oude, vuile lamp was. Indien de toovenaar nu de vrouwen in het paleis kon bewegen om zich van dit schijnbaar onnutte voorwerp te ontdoen, zou hij zijn spel gewonnen hebben.

Hij maakte nu een einde aan het gesprek met den kastelein, en begaf zich naar zijn kamer. Daar trok hij zijn reispak uit, verfrischte zich eens en kleedde zich vervolgens met eenige zorg, zoodat hij er uitzag als een welgesteld koopman, en ging toen, in gezelschap van een bediende van den kastelein, de stad door. Die bediende, aan wien hij nog vele inlichtingen vroeg, welke hij noodig meende te hebben — vooral hoe dat hij op de snelste wijze van de eene straat in de andere en zoo buiten de stad kon komen — bracht hem naar verschillende winkels waar lampen te koop waren. Hij kocht de mooiste en de nieuwste en betaalde, zonder af te dingen, wat men hem vroeg. Dat maakte een goeden indruk, en iedereen boog voor hem als een knipmes. En als men zoo van terzijde even den bediende ondervroeg, om te weten wat voor soort mensch de vreemdeling was, hoorde men de overdrevenste loftuitingen.

Sluiten