Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 Juli 1805, als een meesterstuk van zeemanschap en maritieme strategie bekend, (zie de Jonge, Zeewezen, 6de deel 2de stuk blz. 527), is door Q. M. R. Ver Hnell zelf op steen geteekend. Links de Bataafsche vloot, rechts het Hollandsehe admiraalschip, op de Engelsehe vloot vurende.

Q,. M. R. Ver Huell, Kapitein ter zee, gepensionneerd als Schout-bijnacht, was de vader van A. Ver Huell en zelf verdienstelijk teekenaar, terwijl hij zich mede als entomoloog en botanicus, als reis- en levensbeschrijver en als zeeman onderscheiden heeft. Omtrent zijne werken deelt C. Kramm in zijn vorengenoemd werk alle bijzonderheden mede. Zijn portret en korte levensschets komen voor in het Nederlandsch magazijn, jaarg. 1860, zie No. 63. — C. H. Ver Huell, de bekende admiraal, lateipair van Frankrijk, was de oudoom van A. Ver Huell, wiens vermogen meerendeels van dezen oudoom afkomstig was, zooals hij zelf mededeelt in zijne in onderscheidene couranten geplaatste, in den vorm eener autobiographie vervatte advertentie, gedagteekend 12 April 1892, die later, op karton overgedrukt, door hem aan een aantal verschillende personen is toegezonden. Zie Huldeblijk, No. 136.

Bijgevoegd: Catalogus mijner boekverkooping van October 1892, bevattende onder No. 3893 verschillende stukkeii van en over den bekenden, zeer hevig anti-Napoleonsgezinden Mr. C. van Marle, waarbij vier eigenhandig door dezen geschreven, onuitgegeven, althans niet in zijne „Rijmelarij" voorkomende gedichten. Een daarvan was getiteld: Aan een verachtelijk staatsman, 1814, en daarin stort van Marle zijne gloeiende verontwaardiging over C. H. Ver Huell uit. Ik had Ver Huell voorgesteld dit nommer te koopen, maar hij wilde er niet van hooren. Dwars over het gedicht heen schreef hij eenige regelen tot refutatie en bij dit nommer in den catalogus eene uitvoerige kantteekening. Het nommer is toen gekocht door den heer W. J. Baron van Brakell van Schoonenberg en den Brakell, te Arnhem.

130. Platen uit verschillende deelen. 10 sts. fol. oblong.

Scherts en ernst Nof. 51. — Denkende beeldjes No. 28, 33, 34 en 4 L. — Eerste en laatste studentenschetsen No. 10. — Afspiegelingen No. 21 en 22. — Ze zijn er! No. 18, afdruk in zwart en in bruin.

Aan deze platen werd door Ver Huell als persoonlijke herinneringen bijzondere waarde gehecht, hetzij wegens de voorstellingen zelf, of om de daarmede verbonden gebeurtenissen, hetzij wegens een aantal door hem op die platen, voor de uitgave der gezamenlijke werken bijgeteekende figuren, welke hij in eenige hierbij gevoegde brieven verklaart en waarin de geschetste personen met name genoemd worden, o. a. op de plaat No. 51 van Scherts en ernst de vier vrienden, rechts met geruiten pantalon F. de Moraaz Imans, daarnaast, met eene jas aan, Anton van der Garde, vervolgens W. Schilfer, in hemdsmouwen, en links Ver Huell zelf, (welk viertal in de meest intieme vriendschap leefde en dagelijks bij elkander kwam, vooral de beide laatsten zag men altijd te zamen, terwijl hun symbool een klaverblad met vier bladen en hunne spreuk Rarum sed Exstat was); — op No. 28 van Denkende beeldjes het gesloopte huis de Kemenade bij Doetinchem, vroeger eigendom van C. II. Ver Huell, waarvan toen nog geen gedrukte afbeelding bestond, maar die later, in den Gelderschen volks-almanak van 1889, met bijschrift van H. M. Werner, verschenen is; — op No. 34 van hetzelfde deel links, zittende, zijn vader,

Sluiten