Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't vegen was; dadelijk had hij de deur weer dichtgetrokken, evenveel ontdaan over de fijne, ivoren enkeltjes tegen de roode steenen als over het bleekheete gezichtje onder het klamme haar.

En sinds dien morgen was hij telkens op ruzie af geweest met Aristide: 't was een schande, zoo jaloersch als hij was; waarom mocht Jozette 's middags niet in den Luxembourg gaan zitten? omdat die oude amant van haar er werkte? dat kon zij toch niet helpen? daar hoefde zij toch niet om te lijen...? Kon hij dat aanzien, als nog geen honderd meter ver de heerlijkste schaduw was, in de Avenue de 1'Observatoire ?

— Daar schetste Thierry óók... zei koppig Aristide; Thierry maakte den heelen tuin onveilig... gisteren had hij hem tot bij de fontein van Carpeaux gezien...

Geen wonder, dat hij jaloersch was, tergde Célestin soms als de ander koel bleef onder zijn uitvallen, — Thierry was een schilder van naam al, Thierry exposeerde bij Bernheim... met Thierry had Jozette het goed gehad... beter dan nu... hij moest maar oppassen dat ze geen vergelijkingen ging maken...

Dan kleurde Aristide fijn-fel rood tot in de blankte van zijn hals, beet zich op de dun-gespannen onderlip; en Célestin, overdreven heftig, verklaarde weer, dat hij niet langer verkoos in dien tuin te komen werken, als dat proletenvolk een arm schepseltje krepeeren liet van de hitte, onder het dak.

— „Allons au Luxembourg!" stelde hij woest voor.

Maar zij deden het niet... beiden waren zij druk

bezig aan hun verplichte inzendingen op de gemeentelijke teekententoonstelling van Roubaix. Zij werkten zoo vrij in dien tuin, zonder gekijk van lastige

Een huis vol menschen. 2

Sluiten