Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omstanders; zij hadden het gerief van alles te kunnen bergen in dat tuinhuis, verloren geen tijd met af en aan sleepen van hun rommeltje; wat hadden zij later moeten beginnen met hun groote paneelen!... Zij hadden den tuin noodig en zoo bleven zij er komen.

— „Bouboule," zei Aristide, toen zij een tijdlang in stilte hadden voortgewerkt, en zijn lichte, violette oog en keken devoot-verrukt öp naar het gesloten mansarde-raam, „z ij komt van middag beneden."

Met een bruusk, zot gebaar keilde Célestin potlood en teekenpen het tuinzand over, sloeg met zijn tv/ee dikke handen op zijn dikke knieën:

— „Sapristi!" zei hij. „En heeft dan...?" Aristide, zachtjes, vertelde wat er gebeurd was.

Nu, als tweede vreugde-bewijs, ging de muts met den karbonkel hoog de lucht in, kwam op den uitgestoken wijsvinger neer... hij tolde het ding dol een maal of wat rond, trok hem met beide handen weer vast achter op zijn massieven kop, en ging teekenpen en potlood oprapen.

— „Idiot!" lachte stilletjes spottend Aristide.

Hoog zijn ranken hals uit het lage, linnen kraagje,

en recht den langgestrekten rug, zat hij, smal in zijn sluike jasje, op zijn tabouret en keek goedig naar Célestin neer.

Dan togen zij beiden weer aan het werk.

Aristide ontwierp een fries van windeslingers voor een badkamer, en Célestin zocht naar motieven voor een glasschildering.

Aristide teekende met een groote bedaardheid, welvoldaan keurende telkens zijn probeersels. Hij vond ze mooi, dacht dat hij het toch nóg mooier kon, begon opnieuw; met fijn vingergebaar trok hij een

Sluiten