Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taknerf over den doezelgrond, arceerde bladeren, maakte licht-effecten... keurde wéér, veegde wat uit, rustte een poosje, droomde, bepeinsde de ranken en slingers van de windehaag... „De natuur, altijd de natuur!" was zijn lijfspreuk.

Célestin, voortvarend, scharrelde met kleine en groote teekenvoorbeelden en plaatjes uit botanische folianten, die hij vergeleek met wat er in den tuin aan overeenkomstigs te zien viel... „Combinatie! Fantasie! Decoratie!" was het hoofdmotief van zijn meer ingewikkelde, maar ook laag-bij-de-grondscher, métier-achtiger theorieën. Hij kon daar, zijn dikke kop heet van de opwinding, lange betoogen over houden tegen Aristide, die dat alles al meer van hem had gehoord en onderwijl aan iets anders dacht.

Aristide, toen hij naar Parijs toog, als naar het land van belofte, had wel gedacht, spoedig de kunstnijverheid te zullen verlaten voor de „hooge kunst," had zich voorgespiegeld, eenmaal een groot artist te worden.

Célestin echter was een geestdriftig voorstander van de kunstnijverheid zelve, knoopte die vast aan erg vage ideeën over „de maatschappij," en „evolutie," en „sociale stroomingen." En zoo verward en heetgebakerd als hij praatte, zoo werkte hij. Hij kraste en krabbelde bij verwoede vlagen van enkele minuten, maakte in hoekjes van zijn papierblad miniatuur-ontwerpjes, en weer varianten daarop, die hij bij dozijnen tegelijk aan Aristide's oordeel onderwierp. Aristide bekeek lang en welwillend, vond in alles wat goeds, en sprak, zacht, woorden van lof en raad. Célestin, die in den grond een groote vereering voor Aristide had, uitte over diens schetsen, met klem van gesticulatie, felle overredingen van goedkeuring en blaam; doch Aristide

Sluiten