Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

antwoordde daar nooit op; hij keek maar met zijn peinzende, lichte oogen en streelde zijn kinbaardje.

In het tuintje achter de windehaag kwam een geschuifel aan over het grindzand. Het was madame Legüenne, die met haar sluipsche fretten-bewegingen stoeltje en naaiwerk aandroeg onder het windedakje. In haar bleek-steenroode peignoir zat ze dan tegen het groen en den blanken bloem-bloei, het smalle bovenlijf licht voorover-gebogen en het hoofd, met de flets-gele wangen, donker-amberig bij de oogen, wat terzij, als hellend onder den wrong der hoog-opgekapte zwarte haren. Loom rustten haar lange, dunne armen op het naaiwerk in den schoot, en boven de donkere reeënoogen gingen half de kwijnende leden omhoog, als, met het even lachen van den bloedaxmen mond, zij den twee schilders haar woordloozen morgengroet gaf.

Aristide knikte opgeruimd terug. Célestin wat minder. Het mensch ergerde hem.

— „Warm... erg warm... van morgen," begon Aristide zijn dagelijksch gesprekje.

— „Oh!... m'sieur Baroche..." zei, in uiterst zelfbeklag, met een langgerekten aanhaal, de vrouw onder het loofdakje. Door de groote mazen van het rastergaas — de schutting tusschen de twee tuintjes was maar schaars begroeid — keek zij hem met haar leege, donkerdiepe oogen aan... Dan, als verheugd over een plotseling ontdekte, stille verstandhouding, ging zij welgemoed aan haar naaiwerk beginnen.

— „Malloot," dacht Célestin. Aristide, door zijn wimpers, bleef een oogenblik kijken naar het lijntje van wang, hals en schouder, het zacht schaduwig hoorn-geel en bleekrood tegen den door-zonden groen-schemer van het winde-priëel.

Sluiten