Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan volgde er een doffer spreken in vreemden stemklank.

— „C'est 1'Allemande," zei Célestin.

IV.

Des middags, als de gewentelde zon den gelen gevel niet langer bescheen, doch tusschen den wemelenden bladerschemer op de bemoste pannen der schuurtjes roode en glanzend-groene lichtvlekken ontstak, het braakliggend, hette-walmend achtertuintje beblakerde, en vonkte en schampte in de scherven op de mestvaalt, — lag weer de riethut met zijn zandpleintje, dicht onder het hooge huis, in schaduw-zoelte.

Feestelijk gestemd zaten er Aristide en Célestin. Célestin had een kreukloos-schoon katoenen sporthemd aan van korenblauw met lichtere streepjes en Aristide stak in een versch wit jasje.

Tusschen hun twee schilders-ezels in wachtte een leeg klapstoeltje.

En met klokkeslag drie kwam er, stil, uit de achterdeur een klein, fijn vrouwtje het middenpad tusschen de tuintjes op.

Even poeder-overwaasd lag kalm en matbleek haar ronde gezichtje met de lange, bruine oogen en het fijngetrokken neusje, tusschen de volle, glanzigzwarte bandeaux, die van de wenkbrauwpunten half over de wangen en de oortjes naar den haarknoet, laag in den nek, liepen. Ze had een matineetje aan van wit batist met kleine paarse nopjes bedrukt, dat in een ruim gepijpt strookje over de heupen viel, terwijl twee kleinere blanke strookjes luchtig om de handen waren. Uit 'r écru linnen rokje, dat juist even van den grond afstond, kwamen de

Sluiten