Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemelijk schouderophalen, wendde zich af van het raam.

Een wijle was 't doodstil in den tuin.

Dan, van de eerste verdieping links, klonk een zoetjes vingertokkelen op de ruiten; „j'aime surtout ma Pai-impolaise" werd er getikt...

— „Niet kijken, Jozette!" fluister-waarschuwde, jaloersch, Aristide; „c'est le docteur Valency."

Jozette hield zedig haar groote oogen neergeslagen, haakte hard aan haar kantslingertje, maar even had ze hem toch gezien, klein, tanig van huid, zwart van oogopslag en met een zwart, dun baardje en dunnen knevel, een zeer zuidelijk type.

Het vingertokkelen hield een tijdje aan, zweeg dan.

Een poos daarna weken, met een dreunenden knars en verijlende glimmeringen, de ruiten naar binnen en een donkere kamer-holte gaapte; de dokter verdween.

Even ging, in den tuin van 't huis daarnaast, een luid gesprek aan; een hoog© vrouwestem lei iets uit; „merci" werd er dan zwaarder gezegd, en een deur denderde.

De stilte viel te dieper in; heel verre vaagde de stad, als een zee...

Het was toen half vijf. De schaduw-gevel stond met al zijn losgeslagen blinden en open ramen, vaag-kleurig of zacht-duister van inkijk, koel en aangenaam aan de oogen. Dit waren nu de heerlijkste uren van den dag; het was nog warm, maar er was een andere, bezonkener warmte dan des morgens, en ook de stilte van den tuin was een andere. De avond was ver en toch kwam er al iets van den avond in de volheid van den dag. Er daalde ook een bizondere geur van het groen, voller en lavender dan in den morgen.

Sluiten