Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Was op dit uur dat Célestin zijn voortvarende teekenpen wel eens neerleggen kon, en, onderuitgezakt op zijn stoel, wat zitten droomen, zooals Aristide dat deed den halven dag door.

Ook het vrouwtje liet nu haar handwerk rusten, zat met 'r gevouwen handjes op de groene réticule, te kijken voor zich uit, naar niets.

— „La belle journée!" zei Célestin.

Jozette knikte flauw, vele malen achtereen. Het was nu zoo goed alles; hè wat zaten zij hier verrukkelijk, uitgerust, koel... Die goeie Célestin, wat was hij blij, dat zij er óók was; en Aristide, dat jongetje, met z'n witte jasje over z'n bloote borst, nu was hij toch ook zoo lief voor haar geweest...

— „Niet kijken, Jozette," waarschuwde weer Aristide, en achter haar rug, tegen Célestin:

— „C'est m'sieur Lourty."

— „Monsieur 1'érotomane," bromde Célestin.

— „Wat érotomane?" vroeg Jozette, en zonder het te willen, had zij den nieuwsgierigen blik harer groote, glanzige oogen den huisgevel langs doen gaan. Voor een raam der vierde verdieping zag zij een knap, buitengewoon frisch blozend mannegezicht, waarvan de schelle, lichte oogen onafgewend op haar gevestigd waren. Even bleef haar blik gevangen in de staring dier vreemde oogen, toen zag zij den man de hand aan 't voorhoofd brengen, als met een verdwaasd gebaar, en schichtig achterom kijken.

Zij, ontsteld, nam haar haakwerk weer op, boog diep het hoofd daarover, en zei niets tegen de twee anderen.

— „Is hij er nog?" vroeg ze alleen, een tijdje later, zonder opzien.

Sluiten