Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De twee jongens hadden eerst, strak vóór zich op hun papier turend, Aristide heftig blozend, den op hen neerfellenden blik verduurd, zich gehouden of ze verder geen acht op hem sloegen. Dan kéék Célestin; ja, hij stond er, voorovergebogen uit het raam, met vuurrood hoofd, waarin de helle oogen staken. Recht naar Jozette driftte zijn staren neer... het omhoogkijken van den schilder bemerkte hij niet. Eindelijk maakte Célestin, brutaal, een woedende handbeweging van „wèg" naar hem toe, en de man scheen daarop heen te gaan.

— „II est parti," zei Aristide, en zij ademden alle drie luchter op.

Even had Célestin, dof, een naar verhaal over iets wat hij wist van Lourty, kort maar, — 't hoorde niet bij dezen heerlijken middag.

En zij werkten in stilte door.

Het was de kleine Cypersche, die dan de eerste afleiding bracht. Al lang wakker voor haar korf, was ze eindelijk zoetjes op haar stille kussenpootjes dichterbij gekomen, had onbemerkt, een heelen tijd, beweegloos in de bocht van haar dikken staart gezeten, het roode koordje, dat beefde van Jozette's vingers, star betuurd. Op eens voelde Jozette den lichten slag van een diere-klauwtje tegen haar been en stootte een gilletje uit.

— ,,T'es béte," zei Aristide, „...c'est Toto... viens Toto...!"

Maar Toto bleef bij Jozette; de kleine grijze pupillen, even overhuifd door 't lange rosgrijze haar, beloerden onafgebroken den schoot, waarop het roode draadje had bewogen. Jozette stopte réticuletje en werk naast zich op 't stoeltje, maakte nagelkrapjes op het linnen van haar rok, en Toto waagde den sprong, zocht even waar dat roode

Sluiten