Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Jozette! Jozette!" smeekten Célestin en Aristide tegelijk.

Dan, of ze in die uitbarsting heel haar wraaklust op het vijandige huis had bot-gevierd, verzachtte haar gezichtje weer; ze keek, als verwonderd over zich zelf, eerst Aristide aan, dan Célestin, en lachte.

— „Enfin, Jozette..." zei Aristide, of hij een bestraffing wou beginnen, en hij zat rechter dan ooit; maar Célestin, beslist, brak zijn zedepreek af:

— „Elle a bien fait, trés bien!"

— „Ce sont de sales vaches, les femmes honnêtes," zei ze, met een onschuldig, zacht stemmetje; maar haar genepen oogen sprankelden nog van boosheid.

— „Ja maar, Jozette..." begon Aristide nog eens.

— „Kom..." zei Célestin, „onze mooie middag...!"

En alle drie zwegen ze.

Maar het bleef broeien.

Op eens kreeg Célestin een inval. Hij begon een atelier-liedje te neuriën: dat zou ze opvroolijken...:

„La peinture, ture, ture"

En als vanzelf viel Aristide in, een octaaf hooger, met zijn neuzige tenor:

„Ceux qui n'ont pas de pélo,

lis la font a 1'eau."

— C'ést 5a," zei Jozette, met instemming.

„La sculpture, ture, ture"

begon weer Célestins grappig-grove bas-stem, overslaand omdat hij zachtjes zong, en alle drie, zachtjes, zongen zij door:

„Ceux qui n'ont pas de braise,

lis la font en glaise." — —

Sluiten