Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hè, dat verluchtte! Jozette ging verzitten op haar stoeltje, streek het haar, dat klammig aan de slapen geworden was, zich wat uit de oogen, en knikte Aristide eens liefjes toe.

„Le casque du pompier!" kondigde Célestin

aan — maar Aristide praatte bezadigd, dat ze nu niet ineens al te veel lawaai moesten maken, de concierge had nog gezegd..."

— „Kóm!" vond Célestin.

— „Nee, laten we nou oppassen; daarnet kwam de Duitscher al kijken aan het raam; strakjes..."

Maar Jozette, haar hoofd even tegen hem aan, met een schielijken blik naar boven, fluisterde iets van „L'escalier," en, als hij half al toegevend van nee knikte:

— „Hè, doe jij-alleen „L'escalier" dan 'ns, jullie zingen toch wel meer 's middags, daar kunnen ze niets van zeggen."

En na een oogenblik van verlegenheid, omdat ze vonden dat hij 't zoo aardig deed, zette Aristide in, zot-lang de hooge eerste noot aanhoudend:

„Un... escalier" —

't Was een ding, dat ze pas in de „Noctambules" hadden gehoord, van Montoya; het droogkomieke wijsje, met zijn gek-hoogen ophaal, verliep in de laagte als een loopend gootje:

„Un... escalier qui n'aurait pas de marches Ne serait pas du tout un escalier..."

Célestin, met zijn dikke handen, applaudisseerde zachtjes, cabaretsgewijs drie klapjes bij drie klapjes, in strakke maat: tap-tap-tap, tap-tap-tap, tap-taptap, fluister-roepend:

— „Un bon pour notre illustre chansonnier m'sieur

Een huis vol menschen. 3

Sluiten