Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Quatrième a gauche," antwoordde Carpentier stug. „Dat's de tweede vandaag" dacht hij, toen hij den man met onbescheiden stampen de trap hoorde opgaan.

Twee minuten later kwam de livrei alweer de loge-deur langs. Carpentier was opgestaan, opende 't loketje.

— „Betaald?" vroeg hij.

De man knikte van neen: — of 't vertrouwd was?

Een gezichtsgrimas van Carpentier zei iets tusschen ja en nee in.

— „Ze willen anders niet kwaad," pleitte hij dan weer goed.

— „Zoo," zei de man, en ging.

Carpentier bleef even aan het open loge-raampje wachten, want hij hoorde nog iemand de trap afkomen...

— „O...!..." vond hij dan, als 'n zeker tikken van een wandelstok tusschendoor ongelijke stappen op de laatste traptreden, hem gezegd had, wie er kwam, en hij wou al sluiten, — maar de komende, een niet groote, tamelijk gezette, frisch blozende en bijdehande vrouw, die, met een telkens even opschokken van haar zwartomrokte heup tegen haar rood-zijden blouse, mank liep, begon luid en fel te spreken:

— „Wat zijn dat voor menschen in den tuin?... dat lawaai... en gezing..."

Carpentiers gezicht trok strak en de eene, schele pupil staarde wonderlijk-gluipend tusschen de saamgerimpelde oogleden uit.

— „De jeugd, madame... Dutoit, de jeugd!" zei hij vinnigjes, met een bedoeling.

Zij matigde haar verontwaardigde gebaren wat, zei alleen nog lichtelijk dreigend:

Sluiten