Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betalen — en hij schreef, het omvangrijke conciergefoliant naast zich, zeer nauwgezet en uitvoerig, al die quitanties van honderden franken, — en hij had daar dan 's middags, onder zijn handen de tweeduizend-zes-honderd-twintig francs op tafel liggen, heele boékjes bankpapier en stapeltjes goud, dan had hij 't gevoel, een ambtenaar te zijn van somber-zware verantwoordelijkheid; zijrt loge werd een ontoegankelijk kantoor, zijn ovale tafel een „bureau ministre"...

Wat was er voor Hortense ook niet veel veranderd... wat had die niet lange jaren, 's morgens als 't nauwelijks licht was, in regen en mist, haar broodwagentje door de Marais-wijk gereden; wat was die niet, met haar versleten sloffen, waarvoor ze geen nieuwe koopen kon, een rijkelui's huistrappen opgesloofd, om, als iedereen nog in zijn bed lag, het brood aan de deurhoeken te zetten...! Die had nu óók wat in te brengen, was concierge, zoo goed als hij —, ja, zoo den heelen dag door, nog méér dan hij; z ij was de vraagbaak voor allen, die in 't huis woonden en voor allen, die er te maken hadden. In de vroegte werkte zij nog een uurtje aan de trappen en het trottoir, maar overdag liep ze door het huis, in keurige kleeren, als een dame... en 't was een wijf, dat 'r kleeren eer aandeed, ondanks haar bijna vijftig... in 'r loge kwamen de mevrouwen uit 't huis haar bezoekjes brengen, of ze maakten een praatje door het deurraampje, ook al hadden ze niets te vragen...

— „Ja... ja..." zei Carpentier bij zichzelf, peinzende.

Het voordeurslot slikte; zacht werd de deur weer dichtgedrukt. Twee stille, zwarte gedaantetjes, even groot en gelijk gekleed, kwamen als heimelijk de gang doorschuiven... het moest nu half zeven zijn;

Sluiten