Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het waren de modistetjes uit de Rue des Piramides, die altijd tegen dit uur thuis kwamen, twee brave, bedaarde meisjes, die samen een kamer op de vijfde hadden... de „schimmetjes" noemde Hortense ze, omdat ze altijd in 't zwart waren.

Even daarna stond, spichtig en stemmig, in een grijs-ruiten bloesje en zwarten rok, zonder mantel, en met een klein zwart kapothoedje op, madame Gros in de gang; aarzelend zag ze achterom. Gros, onverschillig brommend, den buik wat vooruit, het hoofd wat voorover, kwam achter haar aan, mopperde nog iets; dan, spijtig, draaide madame Gros zich af, draalde de deur uit, terwijl Gros, de handen bungelend langs zijn zijden, achter haar aan voette.

— „Wat zijn die weer vroeg klaar met eten," dacht Carpentier, lichtelijk misprijzend.

Toen ging er nog een oud, stil mevrouwtje langs de loge-deur... mademoiselle Villetard...

Ze kwam even terug, haar zwart gehandschoend handje tastte aan den deurknop, terwijl ze naar binnen gluurde; dan, als ze zag dat madame Carpentier er niet was, lach-groette ze verlegen-vriendelijk, en stilletjes verdween ze weer.

Carpentier zette zich nog eens op zijn gemak in den wijden leunstoel.

„Voila les quatz'arts Voila les quatz'arts Voila les quatz'arts qui passent"

klonk plotseling, duidelijk verstaanbaar, het gezang van den tuin op.

— „Nom de nom de nom!" vloekte Carpentier.

Hij rees driftig overeind... bleef dan in beraad.

Moest hij naar beneden gaan?... moest hij er een eind aan maken...?

Een huis vol menschen. 4

Sluiten