Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het zingen zweeg.

Maar een oogenblik later brak het opnieuw los, veel luider nog:

„Nous emmerdons Bérenger..."

— „Sacré nom," gromde Carpentier in zijn keel... hij balde zijn vuisten, 't bloed vloog hem naar 't hoofd.

„Voila les quartz'arts passés."

En tegelijk dat rood, zweet-verhit van haar uitgang, madame Carpentier de loge binnen kwam, was van de trappen afgedaald en verscheen in de gang mademoiselle Lefournier, lang, voornaam, in den rouw, en, na haar koelen, zachten groet, zeide zij, zich nog even omwendende:

— „Ik verwachtte bezoek van middag; gelukkig dat het niet gekomen is; het gezelschap in den tuin zou ons wél gehinderd hebben..."

Carpentier en zijn vrouw kleurden beiden nog over hun roodheid heen. Hij, met zijn eene goede, nu star-open oog keek schuin langs de spreekster weg, en haar gezicht trok schuw-brutaal in een poging om beminnelijk te zijn.

— „Wij zullen maatregelen nemen," zei haar man.

— „Graag," zei mademoiselle Lefournier; dan groette zij met haar koel minzamen groet en verliet het huis.

— „Je t'ai averti, Emile!" begon madame Carpentier ruzie-achtig. Ze was moe en stroopte moeilijk van haar heete handen de zwarte garen mitaines, wier maasjes en gebloemte in het rood gezwollen, mollige vleesch stonden afgedrukt met nog roodere striempjes en deuken.

Carpentier trok zenuwachtig herhaaldelijk met zijn

Sluiten