Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Ik heb toch niet het hardst gezongen, Jozette," zei na een tijdje Célestin, verteederd door de zoete genieting van het eten.

— „Mais non... non... jullie alle twee... en ik zelf ook..."

— „Jij zong zelf het hardst op 't eind," zei Aristide, afwerend.

Zij aten in stilte verder. Zij deelden nog het restje, dat Célestin in den schotel had gelaten, en wreven de laatste jus-plasjes schoon met hun brood.

— „En jij riep tralalala," verweerde Aristide zich nog eens, als zij, voor de weer leege tafel, wachtten op de schoone borden, die het halfwasje haalde.

Op Jozette's gezichtje trok de kwade rimpel diep zwart tusschen de fijne brauwen; als Aristide, met zijn kalm-betoogend hand-gebaar nog wat zeggen wou, begon zij op eens, broeiend boos, gauw en afgebroken te spreken:

— ,,'k Blijf 's middags niet meer daar boven... 'k blijf niet meer thuis... 'k ga eruit... ik ga naar den Luxembourg..."

Aristide richtte zich op in zijn stoel, zat heel recht en strak en zijn altijd bleeke wangen trokken wonderlijk weg om den spitsen neus.

— „Jozette!" smeekte Célestin.

Hij vond wel, dat Aristide ongelijk had met zijn jaloersch verbod... maar zij had eenmaal beloofd... en wat moest dat geven, als zij zóó begon...

Hij keek verschrikt naar hun beider vreemd ontdane gezichten; hij dacht, hoe honderd passen van hun huis af, weken lang nog, Thierry aan zijn groote doek zou zitten werken; zijn woeste kop voorzag al de gruwelijkste gevolgen, minnetwist en duel...

— „Toe Jozette," suste hij angstig.

Maar Jozette hoorde hem niet eens.

Sluiten