Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in haar stevig bouwsel van hooge kantoorstoel-enlessenaar, tusschen de' vier kamerwanden van enkel schappen vol rijen groote, witte doozen; en van daar uit, zoo luid zelfbewust en hartstochtelijk sprekend' als zij meestal deed, kon zij Jeanne eensklaps te lijf gaan met vragen als:

; Jeanne, weet je wat een atheïst is ?" of: „Jeanne,

wat beteekent „labor omnia vincit"?" of: „Jeanne, waarom is de biecht zoo onzedelijk?"

Die aanvallen van vragen, waarop zij zich altijd bedacht hield, en die haar toch altijd weer overrompelden, waren een dagelijksche kwelling voor den eenvoud des harten van Jeanne Bonneau.

Madame Germaine Dutoit, sterk hoofd vol paradoxen, vol bijeen gescharreld© geleerdheid en vol anti-clericale spitsvondigheden, waarmee zelfs de abbé's, die hoeden bij haar kwamen koopen, vaak geen raad wisten — madame Dutoit was voor Jeanne een wonder van alwetendheid, die haar een grenzenloos ontzag inboezemde en een soort van geheimzinnige vrees tegelijk. Hoeveel zij ook van madame Lourty hield, ze was deugdelijk overtuigd, dat madame Dutoit het in knapheid verre van die won. Al wat madame Dutoit aan onbegrijpelijks en wonderbaarlijks vertelde, was voor Jeanne de hoogste wijsheid en waarheid tegelijkertijd; maar zij sprak er zelden over tegen madame Lourty. Zij geloofde, dat madame Dutoit geesten zag, dat er menschen op de planeet Mars woonden en dat het Scheppingsverhaal maar een sprookje was; zij geloofde de buitensporigste verhalen over de tooverkunsten van Cagliostro, zij geloofde ook, dat er vrouwelijke pausen waren geweest en dat alle priesters minnaressen hadden. Het was alles zeer vast en zeer vaag tegelijk in haar hoofd, zoo vaag, dat zij het

Sluiten