Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoon van den concierge voor den meneer van een der rez-de-chaussée's; monsieur Bertin en monsieur Giraud, de een caissier, de ander vendeur in den Bon Marché, en die daar elkander dagelijks zagen, doch op andere uren kwamen en gingen, ontdekten eerst na twee jaar, dat zij in hetzelfde huis woonden; dokter Valency kende van aanzien noch madame Dutoit, noch madame Bertin, — hij groette slechts mademoiselle Lefournier, de eenige in huis, bij wie hij eens geroepen was; en de sénateur groette niemand.

Maar iedereen kende madame Legüenne, indien misschien niet altijd bij nakm; en allen, in velerlei schakeeringen van sympathie of tegenzin, hadden meewarigheid met de vrouw uit den sous-sol.

Iedereen had in de gang of langs de trap de sluike gedaante gezien met haar uitgeteerde gezicht en haar opvallend-kleurige, roode of paarse kleeren. Iedereen wist, dat zij ongelukkig getrouwd was, dat haar man vaak in dagen niet thuis kwam, en dat zij wegstierf aan een maagkwaal: — van zijn groot letterzettersloon gaf de slechte kerel weinig méér af dan de huishuur, en die arme zwakke stumperd kon met wol- en linnen-naaien in haar eigen onderhoud voorzien...

En iedereen kwam haar daarbij dan ook te hulp, van mademoiselle Lefournier af, voor wie zij geregeld al het ragfijn lijfgoed bijhield, tot madame Gros toe, die haar tweemaal een ochtendjaponnetje liet keeren. Het jonge vrouwtje Giraud, van de vijfde verdieping, had met haar bevalling het oude goedje, dat nog van haar moeder was gekomen, „beneden" doen in orde brengen. Voor de conciergevtouw maakte zij peignoirs, voor den kostganger boezeroenen, Julie gaf haar blouses te naaien, en

Sluiten