Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Kóm!" zei ze opeens met een loszinnigen ooglonk, „duizend franken... een arme naaister... geloof jij 't?"

Na dien morgen was ze weer opgefleurd — het idee van duizend franken boete vond ze koddig en geurig... Ze was weer spraakzaam geworden en in haar schik... Aan St. Lazare dacht ze alleen nu in het dwaze licht van die duizend-frankenklucht... het was onzin geweest... Ze geloofde eerder aan het zilveren serviesje van Madame de Maintenon... Ze ging weer in kleurige kleeren wandelen in den tuin, kwam — de boosheid der Carpentiers was nu ook wel wat geluwd — weer in de loge, en aan iedereen, in de gang en op straat, vertelde ze van haar proces en van de duizend franken van den sénateur.

Maar gek, onder het vertellen was het of het grappige zienderoogen wegslonk en een vreemde benauwenis greep haar om het hart en strooide als een zwarte asch in haar ijlhoofdige vroolijkheid.

Dan vroeg ze weer aan Jeanne, of die den sénateur nog eens polsen wou... Ja, was het antwoord, Monsieur wist er verder niets van te zeggen, ze moest nu maar afwachten...

Waarom eigenlijk Jeanne Madame Legüenne haar vriendin noemde, zou ze zelf moeilijk hebben kunnen verklaren. Veel meer dan op haar was ze op Legüenne-zelf gesteld, dien ze, hoe zwart hij dan in 't huis stond aangeschreven, volstrekt niet zooveel kwader baas vond dan haar eigen man, wiens kameraad hij was. Toen ze, op haar aandrijven, met hun vieren, zij en Bonneau en de Legüenne's, eens op een zomer-Zondag een uitstapje naar Robinson hadden gemaakt, was die vriendschap tus-

Een huis vol menschen. 7

Sluiten