Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen de beide mannen aangekomen. Het was een dolle dag geweest... zelfs Gabrielle had mee op haar mirliton getoeterd — en Legüenne, met een groote kartonnen steekneus en een zwart lorgnet, tetterde op een kermistrompetje. Hoog in een boom, in het hoogste koepeltje, hadden ze gegeten en Legüenne had betaald met enkel nikkelstukken, een heel tafeltje vol! — in een linnen builtje had hij ze, in hun „filet," meegebracht. Je lachte je een ongeluk om dien kerel! Maar hij was toch ook werkelijk aardig geweest, voor Gabrielle zoo goed als voor haar. Hij wóu niet slecht, maar Gabrielle wist 't hem thuis niet genoeglijk te maken.

Ze zou wel eens willen zien, als zij, iederen dag weer aan, denzelfden pot-au-feu opdischte, inplaats van de lekkere ragouts, de gebraden konijntjes, de tripes en de fritures, waar nu Robert aan smulde, of die er niet den brui van gaf en naar den „marchand de vin" liep om zijn buik te vullen. Als je geen bediening betalen kon, moest je zelf maar leeren koken, al was je ook gezelschapsjuffrouw met een spaarduitje geweest... en mannen hielden nu eenmaal niet van zieke vrouwen, ze waren getrouwd om een gezonde te hehben... als je ziek was, moest je zorgen weer beter te worden en nooit klagen. Gabrielle klaagde altijd, 't Eenige goede was nog, dat ze haar kamers en zichzelf netjes hield, al takelde ze zich dan veel te buitengewoon toe...

Wat Jeanne in Legüenne ook veel vergeven deed, dat was zijn groote liefde voor dieren. Iederen morgen, als hij 's nachts thuis was geweest, zag men hem het hooge hok, dat hij zelf getimmerd had, binnengaan, het vuil wegharken, de waterbakken spoelen en vullen, een bord met aardappels neerzetten of een paar handen maïskorrels strooien.

Sluiten