Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zaterdag was het acht dagen, hield madame Legüenne vol, zij ging niet.

— 't Was haar zaak, zei Carpentier kwaadaardig, als zij op straat gezet wou worden... goed!

Legüenne, voor 't naar-bed-gaan, was niet veel vriendelijker geweest; hij had 't niet, beweerde hij, de week daarvoor had hij haar nog twintig francs huishoudgeld gegeven; maar als zijn boel verkocht werd, dan trok hij zich verder niets meer van haar aan; 't was allemaal haar eigen stommiteit, zij moest het dan nu ook zelf maar weten; — waarom nam zij geen geld op, ergens, dat kon zij later best inverdienen...

Dien ganschen Zaterdag kwam er geen sterveling; maar ook geen brief of bericht.

's Avonds, van zijn weekloon, schoof Legüenne haar over tafel een louis'tje en een vijffrankstuk toe; hij schaamde zich een beetje over zijn goeiigheid en zei daarom boozig, dat hij méér niet geven kon: hij was eigenlijk wel gek, zijn kostelijke geld aan haar domme streken weg te smijten.

Gabrielle nam het gouden muntje tusschen haar spitse vingers: — wat moest zij daarmee? vroeg ze, op vijf honderd dertig franken? — Het zilverstuk roerde zij niet aan.

En toen ze ook 's Zondags nog geenerlei tijding had, rijpte in haar het wanhopig besluit: ze zou den volgenden morgen wel naar de Rue Réaumur gaan; in de krant had ze een adres gevonden van een kantoor, dat geld ter leen gaf ,,zonder borgen"... een woekeraar zeker... zij kon er niets aan doen... zij zou in de loge de boodschap laten, dat Madame was gaan betalen.

Sluiten