Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

K

VIJFDE HOOFDSTUK.

I.

Aristide en Célestin kwamen den laatsten tijd zoo vroeg niet meer in den tuin, en meestal was Célestin er nog het eerst.

Aristide, na het ruzietje in de „gargote" van de Rue Delambre, deed zijn best om Jozette het leven wat vroolijker te maken.

Ze stonden voor dag en dauw nu op, als 't boven nog koel was van den nacht, die door het open venster naar binnen had gestaan.

In het kamertje, dat Célestin met een blank, blauwgrijs papiertje voor hen behangen had, viel, door het laag-breede mansarde-raam, een koele groene lichtschijn van de vochte blader-schermen der hoogste olmetakken, en tegenover het raam, recht in het pure morgenlicht, hing boven de roode rustbank, als een zachte weelde in zijne verdoft-guldene omlijsting, het schilderij, dat Aristide had trachten te maken naar Jozette's teeder naakt: het bleekamber-kleurig lichaam, bijna kinderlijk tenger van schouder-ronding en heupbocht, uitgestrekt op een donkerbrons-zijden lap tegen den achtergrond van turkooizen plooien; het afgewende hoofd scheen op te kijken naar een kleine, grasgroene réticule, die, al spelende, de rechterhand omhoog hield.

Sluiten