Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lage, breede rustbank, die hun 's nachts tot bed diende, en waarover nu het wijnroode laken kleed lag met de gedempt-veelkleurige kussens erop, stond aan den achterwand in een bizondere atmosfeer van zoete vertrouwelijkheid; week glansde daarboven het goudene lijstwerk der mysterieus geworden schilderij...; en de roode plooien in de laagte vielen donker neer op de pauwblauw-en-wit dooreengevlochten glimmering der gladde, nieuwe mat.

Het schoorsteentje naast de deur, met zijn smalle, zwarte marmer-plak onder een vierkant spiegeltje, vast in het grijze houtpaneel, werd van een wonderlijk zacht-mooi; en ook de luttele dingen, die er te pronk stonden, met hun teêr-lichtend spiegelbeeld achter zich en hun evene weerkaatsing in den donkeren marmerschijn, ontroerden door een bizondere pracht...: licht-doorvloeide oranje kelken van Indische kers, zacht gloeiend tusschen de mat-groene bladen, hielden de bleeke en broze kronkel-stengeltjes in de fijn-lijnende water-glimping van een helder glas, — de afgekeerden keken in hun diep-lonkend schijnbeeld; wat meer naar achter en lichter was een dansend Tanagra-beeldje als in een schielijke wending verstard en toonde in den spiegel een donker rugge-gewaadje in om-zwaai; doch voorbij den spiegel naar voren, in den schemer, stond, en zonk maar met een vage kleuring in het marmer-zwart, een groen-aarden kandelaar, waaruit de ongerepte blankheid rees van een slanke kaars...

Beneden-naast den schoorsteen, in den hoek achter het raam, was er nog een oude, met groen rips bekleede armstoel en een klein eiken kastje; die, geheel in schaduw, stonden als antieke meubels, zoo rustig en donker, op den schaduwig ovarschenen vloer van zeskante, menie-roode tegels.

Sluiten