Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veegde haar handjes aan elkaar schoon; de musschen, geschrokken, snorden verward uiteen, maar scheerden weer vlug te pikken neer, en hupten, een legertje, achter hen aan, als Aristide het vrouwtje om 't middel nam, en samen ze verder wandelden.

Ze gingen de beschaduwde paden langs Fabre op zijn geribbelde rotsen, langs de bronzen gladiatoren en Watteau's sierlijk borstbeeld... een paarse clematis klom daar om een ijzeren koepeltje, en aan de overzijde van 't pad, in 't flonkerend zonnegazon, gleed mee met hun langsgaan, door 't zijig watervlies van een sproeier, een vage regenboog... een duif, gedoken aan den rand dier stuiving, hield één wijduitgeslagen vleugel op aan den fijnen dauw, die 't glanzend-witte oksel-dons verparelmoerde.

En Aristide werd het ronddolen niet moe; na de zonnige eindjes door de kweekerijen — de netjes en zakjes bolden er al om zwellend fruit —, namen zij het donker-koele wegje bezijden de Rue du Luxembourg, waar onder het zware geboomte, vaag heen-starend, Chopin treurt boven zijn vochtgroen voetstuk; zij liepen het museum-tuintje rond, met zijn aandoenlijk kronkeltakkig accacia'tje, dat Aristide altijd uitteekenen wou; langs de be-zonde geur-dampende rozen-parterres, tot onder de hooge platanen bij de fontein van Delacroix... dan terug weer naar de tuinen bij de bijenhuisjes, waar al enkele wandelaars méér op de banken zaten met hun courant.

Dit was toch altijd de paradijzigste hoek van den tuin... Scharlaken en vaag-blauw en zwijmelendroze beefden en bloosden en blakerden er de bloemranden langs den voet van het duistere heestergroen, waaruit zeldzame boomen de kronen

Sluiten