Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan heen en weer draaiend, begon hij bedektelijk haar eens uit te hooren over haar omstandigheden...; hoe ze haar dagen doorbracht... waarom ze niet méér wandelde; 's middags vooral, als 't zoo warm werd boven... waarom ging ze niet naar den tuin...? Maar Jozette gaf halve en ontwijkende antwoorden... ze wou niet, dat die dokter iets leelijks van Aristide dacht. En zoo kwam hij niet veel verder.

Dan viel zijn blik weer op de schilderij, hij had even een glimlach om de bedekking, doch de lust, waarmee hij gekomen was, dat mooie cocottetje eens te plagen, was heelemaal weg... het ging hier niet zoo... hij moest er met die jongens over praten...

Bij het weggaan, op het portaal, kwam hij het oude mevrouwtje tegen, dat hem den vorigen dag den weg had gewezen.

— „Hoe gaat het... daar... m'sieur le docteur?" vroeg ze, als aarzelend, naar het schilders-behuizinkje wijzend.

Valency voelde den klein-bangen afkeer van ouddametje voor een gevallen meisje; hij vond dat amusant en mal; maar onder de even golvende gordijntjes van grijs haar was het gezichtje van slapjes gelig-roze doch gaaf vleeschje, met een enkel vriendelijk rimpeltje erin, zoo bedeesd minzaam en zoo vief tegelijk, dat hij niet onheusch kon zijn. Hij was zelfs spraakzaam tegen z'n gewoonte in: erg ziek... nee, op 't oogenblik niet... maar ze kon het worden... het was geen leven voor een jong schepsel, dag aan dag in die broeihitte van dakkamer op de zon... die jongens schenen in den tuin te moeten werken... die hadden het niet kwaad... zij lag daar maar alleen, als in een oven, te snakken naar lucht...

Sluiten