Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Ik moest toch eens komen kijken, hoe 'tmet je ging," begon benepen-innemend het oude dametje, „we wonen zoo vlak tegenover elkaar en ik heb van den dokter gehoord..."

— ,,'t Is erg lief van u" — vulde zacht Jozette aan, en ze trachtte, moeilijk, zich wat meer overeind te zetten.

— „Ik stoor je immers niet...?" vroeg't mevrouwtje bezorgd, als ze de inspanning van dat bleeke, klamme gezichtje zag, klein en teêr tusschen de dik-zwarte haar-wallen, voorover hangend naar den laag in den hals gezakten war-knoet.

— „O nee, nee, volstrekt niet," monterde Jozette fietsjes, „au contraire..."

Zij keken elkaar eens aan. Het oude mevrouwtje had een bizondere en opvallende correctheid van spraak, met even een eigenaardig bijklankje aan enkele woorden, dat Jozette bevreemdde en haar geaffecteerd leek... toch was het eigenlijk wel lief.

— „Maar, me kind," — een beetje op haar gemak gekomen, schoof mademoiselle Villetard het mantilletje terug van de schouders, — „heb je hier niet vrééselijk warm ?"

Jozette knikte van ja, met een hulpeloos kindergebaar.

— „Straks gaat de zon weg," zei ze, „dan kom ik voor 't open raam zitten..."

— „Mag dat van den dokter... ? heb je geen koorts meer... ?"

— „Nee... alleen een beetje zwak..."

— Mijn God, wat was het hier warm, dacht nog eens het oude dametje; ze maakte de brides van haar hoed los, en Jozette maar eens meewarig toelachend, overlei ze, wat ze eens voor dat zieke schepseltje zou kunnen doen... haar balcon, haar

Sluiten