Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zat ze, den rug naar het raam, in haar fauteuil, de voeten op een kussentje...

En Jozette, daar hoog boven het klein gedruisch der niet-drukke straat, stil aan haar eigen gedachten overgelaten, keek maar eens zoetjes uit, vermaakte zich met wat ze zag, droomde haar ontredderde zenuwen weer tot rust.

Het luttel gebeur van het zomersche straatleven, kleintjes en op den kop gezien door het zwaar getraliede van het balcon-hek, speelde zich daar af, zoo zonder vermoeiende werkelijkheid, als voor een grapje...: het was de vijgemand met de spitse ooren erdoor en de glanzend-heupwiegende rug van een paardje, het wit hoogehoedje van den koetsier en de groenlaken vouwen van een leegen fiacre, die onderlangs voorbij-dreef; — of het koper-getuigde spannetje zwarte paarden voor het zwart-vierkante wagen-blokje van Potin, dat met een forsch getrappel tusschen de wieltjes, uit de verte der straat als van een helling aan kwam rollen; — het was, om elf uur, de verspreiding opeens van loopende jongensfiguurtjes de straat over en langs de trottoirs en de zijstraten in, wanneer een klasse uitging van de deftige school naast-aan... de jonge-heertjes hadden wit-strooien hoedjes op, of witte of blauwe petjes, en witte bloesjes aan met blauwe matrozekragen, of roze hesjes of blauw-en-wit-gestreepte kieltjes; bedaardjes spelend ging hun klein gehuppel... voor ééntje wachtte al een half uur een donkerblauwe equipage met een livrei-knecht op den bok... af en toe had een hoeve-stamp klikkend opgeklonken; — of het was het lanterfanten van den portier van het Physisch Laboratorium... die dikke witjas had altijd iets te knutselen aan een deurknop of een jaloezie-scharnier of een raam-

Sluiten