Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goocheld verleden en een van verre dreigende toekomst haar beknelden tusschen hun ontzetting...

II.

— „Bonjour Cha-lotte!... bonjour Cho-lottte!" drensde al sinds een kwartier, onvermoeid, de vogel in zijn kooihoek; na eiken roep of zes —onduidelijke roepen, omdat hij den laatsten tijd veel aan zich zelf werd overgelaten en gauw verleerde —, beurde hij zijn gekruifden kop, met de zandballetjes aan de veerpluizen, tot de hoogte van den houtrand en gluurde met zijn star-rond,' rood-gerande oog tusschen twee koper-tralies terzijde uit; dan, als hij zag, dat niemand op hem lette, trok hij met een zotten knipper het grijze, droog-leerige schelletje van zijn onderooglid omhoog, knipperde nog eens, boog den kop weer in den kooihoek: „bonjour Cho-lotte..."

Heel stil, haar zwarte oogen groot en bedroefd onder het zorgelijk betrokken voorhoofd, deed Jeanne in het keukentje haar werk.

Er woog een druk van beklemmende triestigheid door het appartement; „Monsieur is weer ziek," had Madame bij het binnenkomen gezegd, en dat was niets buitengewoons — maar zoo benepen als ze 't gezegd had... dadelijk was ze schuw 't salonnetje ingeschoven en had de deur achter zich dichtgedrukt; ze was er nu nog; eens maar was ze even, haastig, de slaapkamer in en uit gegaan... Slechts het broddelend neusgeluid van den papegaai, onrustig zijn alleenspraak verknauwend, ging vreemdrauw door die gespannen stilte: „bonjour Cho-lotte... bonjour Cho-lotte..."; als een weeë onheilspellend-

Sluiten