Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het leek wel of op dien mooien avond het heele huis langs de loge kwam paradeeren; madame Giraud en haar jongetje gingen uit, monsieur Herz, en madame Bertin, en mademoiselle Villetard; zij groetten in 't voorbijgaan, of, het hoofd om de deur, zeiden zij even iets over een huissleutel, over een pakje, dat bezorgd zou worden...

Madame Legüenne, vóór in haar stoel genegen, groette kwijnend-lief terug of luisterde en antwoordde met lange, smachtende blikken, die als om vergiffenis baden, dat zij daar zat.

Wat later kwam nog madame Guillard. Die droeg als een vracht den dikken kater Ninouche, onderuit-gezakt tegen haar zij gedrukt; half in de deur vierde zij de knelling van haar arm, liet het dier zijn sprong nemen. Zij ging nog even een avondwandelingetje maken, zei ze, en trok de deur weer dicht.

Madame Legüenne keek boos; zij hield niet van Ninouche, vond het een griezelig beest, maar zij had toch niets durven zeggen; het was de gewoonte, dat madame Guillard haar kater daar bracht, als ze hem opgeborgen wilde hebben; zij was zeer bevriend met de Carpentiers.

Ninouche, thuis in de loge, had even gesnuffeld in de hoeken bij den schoorsteen, was dan, wat plomp door zijn dikte, op tafel gehupt en zat daar aan den rand, zijn kop naar het raam gekeerd, zijn sluik-getrokken staart afhangend langs het kleed in een nerveus© kwispeling. De gele oogen, als twee spleetjes schuin-op in den ronden, muisgrijzen kop, en de vaal-viltige driehoekjes der ooreri gluiperig omgeflapt over de rozig-blauwe binnenschelpen, begon hij met zijn nagelgespitste voorpooten te trappelen in het jutten tafelkeed en snorde wellustig.

Madame Legüenne stond op, schonk melk in een

Sluiten