Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een vlam stond de vurige kam op zijn kop, en zijn staart! goeie genachte... wat een staart! toen de Koning van Engeland in Parijs was, had hij geen mooier pluimen op zijn steek! veeren als haar arm zoo lang en zoo zwart als git en zoo glanzig, of ze allemaal met een goudpoeiertje waren bestoven...!

— „Vijf franken... ?" vroeg kwijnend lief en met een verwachtingsvolle oogsmachting madame Legüenne.

— „Nee, zes francs," zei de crémière, pinter bij haar zaken, „zes francs en geen sou minder en vijftig centimes voor de moeite van 't brengen, voila!"

Madame Legüenne sloeg de oogen neer, bleef verslagen in haar schoot staren, waar haar dooreengestrengelde vingers zenuwachtig om elkaar henen wrongen; dan oogde zij weemoedig op naar den kamerhoek: zij hoopte hem nog wel goedkooper te krijgen.

Uit de verte der avondstille straat klonken dan plotseling rappe, bitse passen op het asphalt... 'twas een geluid, waar ze naar luisteren móest; een oogenblik later sloeg het rinkelbelletje van een winkeldeur daardoor heen, en van dichterbij geluidde zacht tippen van vrouwenvoeten. Achter de melkvrouw heen ging Julie langs het raam. Dadelijk daarna kwam een kort, oud mannetje haar achterop, die vinnig-verbaasd het loge-raam inblikte.

Madame Legüenne, met een schok van schrik, wierp zich terug in haar leunstoel.

— „Morgen...! morgen...!" zei ze haastig, met tragischen drang de melkvrouw beduidend om heen te gaan.

Die, verbluft, vroeg nog iets, of het dan afgesproken was...

Sluiten